Chinchilla's

Chinchilla's zijn zeer fraaie diertjes met een uitzonderlijk zachte vacht. Ze worden regelmatig als huisdier gehouden en hebben enkele bijzondere kenmerken waarmee rekening gehouden moet worden. Chinchilla's behoren net zoals hamsters en cavia's tot de knaagdieren. Oorspronkelijk kwamen Chinchilla's voor in het Andesgebergte. Hier leefden ze op een hoogte van 6000 meter in het rotsgebergte. Hun lange eekhoornachtige staart zorgt voor evenwicht tijdens hun sprongen. Daarnaast bezitten ze lange snorharen, grote ogen, praktisch volledig kale oren en hebben hun poten stevige zolen met kleine nagels. Chinchilla's zijn van nature vooral 's nachts actief, maar als huisdier gehouden chinchilla's gaan ook overdag actiever zijn. Gemiddeld kan een chinchilla 10 jaar oud worden met enkelingen die zelfs de leeftijd van 20 jaar halen.

Huisvesting


Chinchilla's zijn zeer levendige, actieve en acrobatische dieren. Een grote kooi is dus een vereiste. Een kooi met meerdere verdiepen kan hieraan voldoen. Klimtakken kunnen helpen om de kooi te vervolledigen. Daarnaast hebben chinchilla's nood aan een schuilplaats. PVC-buizen van 10-15cm diameter kunnen hiervoor dienen. Ideaal zijn buizen met een bocht of met een T- of Y-vormige splitsing.

Chinchilla's kunnen gehouden worden in paren, kolonies of polygameuze kweekunits. Bij kolonies wordt er niet aangeraden om te kweken.

Om de vacht te onderhouden nemen chinchilla's graag een zandbad. Hierdoor verminderd de hoeveelheid vetten die zich in de vacht kunnen opstapelen. Het dagelijks aanbieden van zo'n zandbad is ideaal. Commercieel zijn er verschillende soorten zand te koop speciaal voor chinchilla's. Een metalen of aarden potje met een diameter van 20-25 cm is hiervoor ideaal. Na een half uurtje kan je het bakje weer wegnemen en heeft de chinchilla tijd gehad voor zijn vacht te verzorgen.

Chinchilla's kunnen slecht tegen een vochtige omgeving of tegen warme temperaturen. Het liefste zitten ze bij een omgevingstemperatuur van 10-20°C. Een temperatuur lager dan 18°C met een relatieve luchtvochtigheid lager dan 50% zal zorgen voor een goede vachtgroei. Temperaturen hoger dan 28°C zorgen voor hitteslag bij chinchilla's en dienen vermeden te worden.

Voeding


In de natuur gaan chinchilla's eten van alle beschikbare vegetatie tussen de rotsen. Hierdoor zijn ze van nature uit voorbestemd om voeding met veel ruwe vezels te eten en te verteren. Hooi is dan ook een van de belangrijkste zaken die je een chinchilla kan geven.

Chinchillavoeding is ideaal zeer vezelrijk en voedingsstoffenarm. Zeker bepaalde vetten en toegevoegde suikers dienen vermeden te worden. Een voeding die bestaat uit 16-20% eiwitten, 2-5% vet en 15-35% ruwe celstof is een goede voeding. Bij ons in de praktijk is speciaal chinchillavoer van Supreme Science verkrijgbaar. Verander je van voeding, doe dit dan zeer langzaam. Geleidelijk overschakelen op een nieuwe voeding over een periode van 14 dagen is geen overbodige luxe. Zoniet kunnen maag-darmproblemen ontstaan of ontstaat eventueel anorexie. Geef ook niet meer dan 1-2 soeplepels eten per dag. De rest moet bestaan uit hooi zodat er genoeg ruwe vezels opgenomen worden.

Naast hooi en korrels kan je nog snoepjes geven zoals granen, gedroogde appels, rozijnen, vijgen, hazelnoten en zonnebloemzaden. Overdrijf hier echter ook niet mee (max 1 koffielepel/dag).
Water moet continu ter beschikking staan. Een drinkfles is hierbij ideaal aangezien een bakje met water snel vuil wordt.

Extra materiaal waar je chinchilla aan kan knagen mag ook. Een knaagsteen of jonge takken van bomen (iep, es, esdoorn, berk), stukken schors van een appel- of perenboom. Eventueel kan je zelfs jonge wijnstokken geven.
Net zoals konijnen en cavia's gaan ook chinchilla's soms hun mest opeten. Typisch gebeurt deze opname van bepaalde mestkeutels tussen 8 uur 's morgens en 14 uur 's middags.​

Voortplanting


Het voortplantingseizoen van chinchilla's vindt plaats van november tot mei. Chinchilla's kunnen zowel in paar gehouden worden (mannetje en vrouwtje samen) als in een polygameus systeem, waarbij het mannetje "op bezoek" komt bij de vrouwtjes. Verschillende kooien waar telkens een vrouwtje in zit kunnen verbonden worden via een buizensysteem waarnaar het mannetje alleen toegang heeft. Op die manier kan hij van het ene vrouwtje naar het andere gaan.
In een polygameus kweeksysteem wordt na de bevalling het mannetje weg van het vrouwtje en de jongen gehouden. Kweek je echter met een paar, dan kan het mannetje soms aanwezig blijven op voorwaarde dat het vrouwtje hem toestaat.
Dracht duurt gemiddeld 111 dagen. Vanaf dag 90 zijn de jongen voelbaar. Ook kan je vanaf de zesde week een toename in gewicht meten. Meestal gaat een worp gebeuren tijdens de ochtenduren. Moeilijkheden met de bevalling zijn zeldzaam, maar komen soms toch voor. Gemiddeld bevat een nest 2 jongen, maar variatie komt voor. Nesten met 6 jongen komen ook voor.
Een vrouwtje zal geen nest maken voor in te werpen, maar ze kunnen wel leren dat een warme werpbox kan helpen bij de overleving van de jongen.
Jongen wegen 30 tot 50 gram bij de geboorte en zijn volledig behaard met tanden en geopende ogen. Meestal zuigen zij tot de leeftijd van 6 - 8 weken. Hoewel ze vanaf 1 week reeds vaste voeding tot zich beginnen nemen is een minimum van 25 dagen melk zuigen bij de moeder noodzakelijk.